Namibië – Van Damaraland naar Etosha
Het tweede deel van onze reis ging van de Atlantische kust, terug het binnenland in: van het dunbevolkte Damaraland naar het noordelijk savannegebied, met als kers op de taart Etosha National Park. Een trip van acht dagen, voordat we weer in de bewoonde wereld kwamen.
Dorob National Park
De route noordwaarts leidde ons dwars door het Dorob National Park, een relatief jong park dat een groot deel van de Namibische kustlijn beslaat. Het is geen park in de klassieke zin, maar eerder een enorm beschermd gebied. Geen hekken of toegangspoorten, maar wel een landschap dat langzaam veranderde van de vochtige kustlucht naar droge grindvlaktes, tot het park overging in het nog ruigere Damaraland.
Spitskoppe
Opeens rijst uit het niets, midden in het vlakke savannelandschap, een granieten rotsformatie: de Spitskoppe. Het silhouet heeft haar de bijnaam “de Matterhorn van Namibië” opgeleverd, maar met 700 meter is ze wel beduidend lager.
Kamperen is hier echt back to basic, iets waar wij heel erg blij van worden.De kampeerplekken liggen verspreid tussen de rotsen, sommige volledig afgezonderd, andere in kleine groepjes bij mekaar, met beperkte faciliteiten. Het is first come, first served: je kiest zelf een vrije plek bij aankomst. In het hoogseizoen (juni-september) kan het druk zijn en is het verstandig op tijd te arriveren voor de mooiste plekken.
Voor ons was het intens genieten hier. Een goed stuk vlees op de braai, een stel rondscharrelende kinderen, en de meest mooie sterrenhemel. Het leven was er stil, maar goed.
Nog dieper Damaraland in
Verder noordwaarts rijden we nog dieper Damaraland in. We slaan onze eerste kamp op in het hart van Damaraland, tussen Uis en Khorixas, aan een uitgedroogde rivier. Het kamp is verscholen tussen dezelfde granieten ‘balancing rocks’-formaties als bij Spitskoppe. Ons tweede kampement ligt in Palmwag, aan de rand van Damaraland en Kaokoveld. Een oase, in de letterlijke zin van het woord: een groene, waterhoudende plek te midden van kurkdroog land. Hoewel de rivier ook hier droog staat, komt bij Palmwag het grondwater dicht genoeg aan de oppervlakte om een permanente bron te vormen. Palmwag dankt zijn naam dan ook aan de bijzondere makalani-palmen die hier groeien.
Naast hun ligging aan de rivier, liggen beide kampen ook op een oude olifantenroute. De woestijnolifanten trekken hier regelmatig doorheen, via de rivierbeddingen, op zoek naar water en voedsel. Bij Palmwag hebben we dat met eigen ogen kunnen zien. Bij het invallen van de avond trok een kudde olifanten aan het kamp voorbij, waarvan één zelfs kwam drinken uit het zwembad op de camping, een frequente gast hier!
We maakten een game drive door de omliggende Palmwag Concessie, die bekendstaat om de grootste vrij rondlopende populatie zwarte neushoorns, buiten de nationale parken om. Naast opnieuw olifanten spotten we hier onze eerste giraffen, zebra’s en kuddes struisvogels. De zwarte neushoorn hield zich schuil, die houden we tegoed.
Na dagen van leegte begon het landschap zich eindelijk met dieren te vullen, de kinderen konden niet wachten om naar Etosha te gaan!
De kers op de taart
We reden Etosha binnen via de Andersson Gate, aan de zuidkant van het park. Etosha is, in tegenstelling tot de kleipannen van Sossusvlei en Deadvlei die we eerder zagen, wél een echte zoutpan: een kraakwitte vlakte van 4.700 km², ongeveer zo groot als de provincies Utrecht en Zuid-Holland samen. De pan is zo groot en het contrast met de omliggende savanne zo scherp, dat hij duidelijk te onderscheiden is op satellietfoto’s, iets wat voor maar weinig landschapskenmerken op aarde geldt.
Onze eerste stop is Olifantsrus, waar we één nacht verblijven en wat voor ons een absoluut hoogtepunt was. Een kleine, sobere camping met slechts 10 kampeerplekken, gelegen in het rustige westelijke deel van het park. De plek heeft een aangrijpende geschiedenis: hier werden in het begin van de jaren ’80, tijdens een periode van zware droogte, meer dan 500 olifanten afgeschoten om de populatie in bedwang te houden. Nu staat er een uitkijkpost bij de waterplaats, en er loopt een rood pad van het kleine museum naar die uitkijkpost, symbolisch voor de weg van dood naar leven. Uren hebben we er doorgebracht, starend naar het langzame komen en gaan van dieren. En toen, ineens, werden we toch getrakteerd op die zwarte neushoorn. Hoe bijzonder!
De volgende stop was Halali, waar we twee nachten bleven. Minder charmant en veel drukker dan Olifantsrus, maar het bankje bij de waterplaats was perfect: urenlang hebben we er zitten kijken wat er langskomt. Halali ligt centraal in het park, aan de voet van een heuvel, met Mopane-bomen eromheen. Deze centrale ligging betekent dat je in verschillende richtingen kunt rijden, wat de kans op leeuwen vergroot omdat je een groter gebied kunt bestrijken.
We boekten een game drive in de vroege ochtend, het beste moment om leeuwen actief te zien voordat de hitte toeslaat en ze zich terugtrekken in de schaduw. Onze dochter was toen nog te jong, maar deze activiteit gunden we vader en zoon. En met succes: de leeuwen zijn gespot!
We verlieten het park via de Von Lindequist Gate, aan de oostkant, op weg naar Tsumeb en verder richting Waterberg. Nog net voor de poort troffen we een kudde olifanten, inclusief een paar babyolifantjes, luid trompetterend en heerlijk aan het rollen en spelen in de modder. Een vrolijke afsluiter van 8 dagen onderweg van Damaraland naar hier.
Terug naar de bewoonde wereld nu.
Nieuwsgierig naar de rest van onze reis?
Lees meer over de Namib-woestijn en het Centraal hoogplateau.
Wil je zelf op pad?
Alle praktische informatie over onze route door Namibië vind je hier.Het tweede deel van de route ging …
